Jelle Waringa

gedachten over religie en geloof

Categorie: Preken

Sta op! Een morgen ongedacht ~Marcus 5 1-20

Wat een verhaal. Wat moeten we hier mee? Waarom lezen we dit? Misschien bevestigt het wel het beeld van de Bijbel: een wonderlijk boek dat mijlenver van ons afstaat. Vol met sprookjes. Tsja…

Ik denk bij het lezen in de Bijbel wel eens aan meneer Spoelstra. Dat was mijn leraar Nederlands op de Middelbare school. Wanneer hij het had over Harry Mulisch probeer hij, als ik me goed herinner, ons drie lagen uit te leggen:

  • Verhaal op zich
  • Mythologische laag
  • Boodschap voor jezelf

Het verhaal op zich is zoals de kinderbijbel ons vertelt. Dat is belangrijk, want door het verhaal blijft de boodschap bewaard. Zonder verhaal, zonder transportmiddel, zou de boodschap nooit overgedragen zijn geweest. Maar: het is de kunst om voorbij dat transportmiddel te kijken. Dus we lezen het, verwonderen ons misschien over toch wat merkwaardige passages. Onreine geesten, iemand die tussen de graven woont, die varkens die zich in zee storten. Zo op het eerste gezicht eerder een scenario voor een horrorfilm.

Maar er is natuurlijk meer. Ik geloof dat het voor de toepasbaarheid van ons geloof, voor onze houding van “in de wereld staan” niet goed is om bij de eerste laag te blijven steken. Hoe moeilijk dat ook is! Want een verhaal zoals dit staat wel ver van ons af. Wonderen die wij niet meemaken. Wat is dat voor wereld? In ieder geval niet de onze. Daardoor blijft het een ver-van-mijn-bedshow.

Daarom: laten we eens verkennen wat meneer Spoelstra de 2e laag zou noemen.

Een mens in de krochten van zijn bestaan. Jezus had al een poging gedaan:
‘Onreine geest, ga weg uit die man.’ – had niet geholpen. En nu WIL die man ook niet geholpen worden. …tenminste, zo lijkt het.
Wat is dat voor leven? Contactschuw. Haat tegen zichzelf. Schreeuw om hulp die hij tegelijk ook niet wil. Een leven vol uitzichtloosheid en tragiek. Een leven van zelfcastijding en ellende. Ik word er naar van.

En dan wordt er gemorreld aan die tragiek. Jezus als therapeut. En wat gebeurt er als er gemorreld wordt? Dan staat de veiligheid op het spel. Wanneer de bevrijding van de situatie die bekneld nog erger is dan die situatie zelf. Iemand die in de psychiatrie is beland en echt met zichzelf aan de slag moet. Iemand die weet dat de heroïne zijn leven verwoest, maar het beeld van de cold turkey nog angstaanjagender vindt…

Hierbij werkt autoriteit of dwang niet. De gebiedende wijs is niet effectief.

“Ga eens wat vaker naar buiten!”
“Hou toch eens op met die drank. Je gaat er immers aan kapot”
“Je verdrinkt in je verdriet na die scheiding. Ga eens gezellig mee naar een terrasje”

Nee. Wat Jezus zegt is: Wat is je naam? Dit is waar de therapie begint.

Dat is iets anders dan alleen te beantwoorden met Appie of Pieter of Jelle. Wat hem gevraagd wordt is zoiets als: Wie ben je? Hoe is het zo gekomen? Waar kom je vandaan? Wat is je geschiedenis? De man moet na gaan denken:Wie ben ik zelf? Wat gaat er om in mijn ziel? Wat is mijn wezen? In de tekst komt dat allemaal samen in die ene vraag, dat ene moment: wat is je naam?

In werkelijkheid duurt zoiets jaren. Wie kan nou in één zin vertellen wat zijn of haar wezen is. Maar de uitnodiging is om daar over na te denken. Om niet te blijven zitten in de ellende van die krochten van je bestaan, maar om in al je eerlijkheid naar buiten te mogen komen. Er vindt een omkering in het verhaal. Er is iemand met werkelijke interesse naar deze man.

“Ik ben met velen” – zegt hij.

Alsof alle stemmen die hem tot nu toe hebben willen sturen, meedoen.

Zijn strenge vader van vroeder, de veeleisende moeder, de cynische leraar, de dreigende dominee…
De vrienden die geen vrienden bleken
De veeleisers die geen genoegen met hem namen zoals hij was
De manager die hem op cursus stuurde op zoek naar de betere versie van jezelf

“In mij wordt met ijzeren laarzen gemarcheerd en in vreemde talen gesproken. Ik ben mezelf niet, ik ben gegijzeld door iemand anders die alleen met verwoesting spreekt en mijn eigen ik onzichtbaar heeft gemaakt”. Maar waar staat hij zelf?

Door voor het eerst in jaren weer ruimte te maken voor zichzelf, voor zijn eigen wezen, voor het kind dat hij ooit was….is er geen ruimte meer voor al die stemmen die te lang teveel ruimte ingenomen hebben. Als die ellende, dat hele legioen, moet elders woonruimte zoeken. Die hele zwijnerij, al die smerigheid, alle modder en troep gaat kopje onder om nooit meer boven te komen.

Er is geen sprake van een nooit eerder vertoond staaltje magie…maar het is de vraag: Wie ben jij? Dát is het wonder. Dát is waar God in het verhaal komt.

Wat is jouw verhaal? Die vraag zet de deur open naar een ander bestaan. Alle boeien en ketenen die de bezetene zo lang vast hebben gezet worden hiermee losgemaakt.

Het on-leven van deze man veranderd in een leven boven de grond, in het licht, tussen de mensen, gekleed, onderdeel van, vrij. Hij mag er weer zijn, omdat iemand hem niet veroordeelde, geen hoge lat hanteerde, maar vroeg naar zijn diepste zijn.

Is dat waar de tekst over gaat die we zonet zongen?

De Geest des Heren heeft
een nieuw begin gemaakt,
in al wat groeit en leeft
zijn adem uitgezaaid.
De Geest van God bezielt
wie koud zijn en versteend
herbouwt wat is vernield
maak een wat is verdeeld.

Is dat wat er in al die teksten bedoeld wordt met God die bevrijd?
Dat wanneer alles voor niks lijkt te zijn geweest, wanneer het koud is en hard als steen, er toch een nieuw begin mogelijk is?

Nog één keer naar meneer Spoelstra. De derde laag. De boodschap voor jezelf. Want zolang het gaat over een heroïneverslaafde, of die-en-die die met psychiatrische problemen, of iemand die we wel kennen en ook zo teruggetrokken leeft…..wat heeft dat dat met ons te maken? Dan blijft het de beschrijving van een ander.

Die bezetene lijkt wel extreem, maar is een ingedikte versie van eigenschappen die we allemaal in meer of mindere mate hebben.
Welke facetten van ons eigen leven lijken, misschien maar een klein beetje of misschien best wel veel, op het leven van de bezetene van Gerasa?

Wanneer laat jij je hoofd hangen naar het oordeel en de maatstaven van een ander?
Wanneer heb ik te lijden onder mijn schaamte voor wie ik ben?
Wie legt te lat altijd te hoog voor zichzelf en pijnigt zich daar steeds mee?
Wie heeft het gevoel er niet helemaal bij te horen en denkt dan: laat maar?
Welke krachten of middelen zijn zo belangrijk voor ons hier geworden dat ze ons leven beknellen als kettingen of boeien?

Denk daar de komende week nog eens over na.
Lees Marcus 5 nog eens over. Pak op een stil moment eens de bijbel en lees het hardop. Wie weet gebeurt er dan iets met de woorden in uw eigen leven.

Wat ik zo mooi vind, is dat het hier niet gaat om een wonder dat pats-boem uit de hemel komt, maar dat het wonder van God in mensen hier op aarde, plaatsvindt. Dat het niet beperkt is tot Jezus in Gerasa in het decor van een horrorfilm, maar dat het hier in Drachten of afgelopen zomer op de camping of gewoon bij u thuis of in de familie opnieuw kan gebeuren en ook gebeurt.

Dat je op een onbewaakt moment voelt dat die onbegrijpelijke God in het spel is wanneer je opeens alle onzekerheid van je af voelt glijden. Dat je op het moment van wanhoop zomaar een keertje kunt relativeren. Dat je middenin alle zorgen en gedachten en plannen een moment inziet dat het allemaal al goed is – ongeacht de uitkomst.

Opdat ons leven nooit
in weer en wind bezwijkt,
kom Schepper Geest, voltooi
wat Gij begonnen zijt.

Dat zou toch wat zijn…..

 

Uw wil geschiede ~ Exodus 14:9-15 en Psalm 2

(gelezen teksten vind je hier)

Het zal ergens in 1977 geweest zijn, dat ik op de terugweg uit school een dode vis zag liggen. Hij lag half in het water onder de brug die ik iedere dag overliep. Ik zat op de kleuterschool en besloot een hark van huis te halen om de dode karper daarop te transporteren naar onze achtertuin. Hier lag een opdracht op mij te wachten; de vis verdiende een graf om zo in de hemel te kunnen komen. Daar kwam je immers niet als je onder een brug rottend zou verdwijnen. Geloof zonder actie, wat had dat voor zin?

Op 21 november 1981 trok plaatselijke afdeling van het IKV uit IJlst naar Amsterdam om te demonstreren tegen de plaatsing van kernwapens. Ik was 9 en ging ook mee. Samen maakten we ons sterk voor een betere wereld. Wij moesten alles doen om toekomstige generaties een menswaardig leven te bieden, gevoed door ons geloof en als onderdeel van de kerk. Geloof zonder actie, dat is niks, voelde ik zelf tegen deze tijd ook wel aan.

In de zomer van 1983 logeerden er twee jongetjes uit Noord-Ierland bij ons thuis. Eentje katholiek, de ander protestant. Zo konden zij, in het klein, een onbezorgde zomer hebben en begon de vrede tussen de partijen misschien wel door dit soort gearrangeerde vriendschappen. Geinspireerd door geloof in een vreedzame wereld, als voorbeeld van Gods Koninkrijk, moet je immers als mens in actie komen voor Gods ideaal. Geloof zonder actie is als een lege huls, was mijn overtuiging.

Misschien was het deze overtuiging die ik ook terugvond in mijn kennismaking met de doopsgezinden, vele jaren later. De bordjes met de tekst “daden gaan woorden te boven” – daar kon ik me wel in vinden. Het sloot aan bij mijn opvoeding, mijn karakter, mijn geloof. Op school hing een, toen ook al antieke, wandplaat met een afbeelding en tekst: wat kan Paultje toch mooi bidden. Daar keek ik argwanend naar. De handen uit de mouwen steken, daar hebben we meer aan – dacht ik als kind al.

En nu lezen we hier vandaag:

“De Heer zal voor u strijden;
zelf hoeft u geen vinger uit te steken”

Tsja.

Of zoals we zongen:

Je moet de zee doorgaan
de diepte van het leven
en zonder angst of vrezen
vertrouwen op mijn naam
vertrouwen op mijn naam

Vertrouwen op mijn naam. Ja, natuurlijk…maar wat betekent dat dan?

In de kerk kost het niet zoveel moeite om dat te beamen. “Ja, natuurlijk, wij vertrouwen op de Heer.” Alleen….hoe past dat in de rest van ons leven, buiten de muren de kerk? Hoe passen we dan in in de rest van de week?  Kunnen we dat soort passages maar beter overslaan? Of erop kauwen, kijken of er andere sappen vrijkomen, herkauwen, proeven, malen?

Iemand vertrok voor zendingswerk naar West-Afrika en verkocht al haar huisraad voor ze vertrok. “Mocht ik ooit terugkomen, dan zorgt God wel voor me”. Yeah, right. Dat soort teksten, daar gaan heel wat wenkbrauwen van fronsen. Denk eens na, joh. Maar tegelijk zingen we wel

Behüte mich, Gott
Ich vertraue, dir
Du zeigst mir den Weg zum Leben

Nou, dat zijn wat gedachten waar ik de laatste tijd mee bezig ben.

Het was vorig jaar dat ik aanwezig was op een begrafenis. De kleindochter nam plaats achter het spreekgestoelte, een beetje onwennig, en ze frommelde een briefje uit haar zak.   “Dit”, zei ze, “is de tekst die mijn oma iedere dag voor het slapen gaan las”. Ze vertelde dat ze had ontdekt dat het al oude woorden waren, vermoedelijk zo’n 2000 jaar oud. Dat wist ze niet en als kind had ze het altijd onbegrijpelijk materie gevonden wanneer ze bij oma logeerde. En nu was ze naar die woorden op zoek gegaan, nu oma er opeens niet meer was.

Ze las ze voor, om met ons te delen.

“Onze Vader die in de hemel zijt,
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel….”

“Oma zei altijd dat ze er rustig van werd, en ook dat ze dingen erdoor kon accepteren ofzo” – vertelde de kleindochter. Ja, ik weet het niet hoor, maar dit hoort gewoon zo bij haar”

Haar gestuntel ontroerde me. Ze was niet gewend voor groepen te spreken. Maar wat was ze puur en eerlijk. Die woorden van haar oma kregen hier nieuwe adem. Ik was getuige van een wedergeboorte.

Uw wil geschiede.

Met sommige woorden loop je hetzelfde gevaar als met sommige liedjes. Wanneer je ze al zo vaak gehoord hebt, kun je je niet meer herinneren hoe het was toen het voor de allereerste keer op de radio was. Toen de klanken nog vers waren. De woorden nog warm. De melodie nog onwennig. Hoe kun je onbevangen luisteren naar liedjes die al vastgezet zijn in je gehoor? Hoe kun je net doen alsof Bohemiam Rhapsody nog nieuw voor je is? Of het begin van de Matteus Passion van Bach? Of de woorden van het Onze Vader?

Uw wil geschiede.

Het zijn drie woordjes in een gebed dat je gedachteloos op zou kunnen dreunen. Maar…deze keer deden ze iets anders met me. De dagen erna, maar ook nu, een jaar later, resoneren deze woorden in mijn oren.

Uw wil geschiede.

Is het een bede? -> Oh God, was het maar zo dat uw wil geschiede!
Of is het een besef? -> Heer, wat ik ook allemaal bedenk, het is toch uw wil die geschiede…

Heel lang ben ik van dat eerste uitgegaan. In deze wereld, waarin zoveel gebeurt dat niet past bij die wereld die we Uw Koninkrijk noemen, het is toch bar en boos hoe wij mensen er een zootje van maken. Was het maar anders! Wat het maar zo dat UW wil gebeuren zou. Dan zou het immers anders zijn, beter vooral.

Het is blijkbaar niet zoals God wil. Maar…hoezo niet? Omdat God een God van rechtvaardigheid is? Of omdat Hij liefde zelf is? Omdat Jezus vredelievend was? Maar hoe weten wij dat?

Ons leven cirkelt rond drie werkwoorden: willen, hebben en doen. We willen van alles hebben en we willen van alles doen. We willen veranderen, verbeteren en dat alles wordt bekeken door onze oh zo persoonlijke bril die niet DE WAARHEID maar slechts ONZE EIGEN WAARHEID laat zien. Ik weet niet of er een plan is. Hoe God op ons leven inwerkt. Of hij ingrijpt. Wel weet ik dat als je terugkijkt op jaren die achter je liggen, je niet alles kunt toeschrijven aan erfelijkheid, logica, eigen initiatief of het resultaat van eigen geweldige plannen en stappen. Zoals Evelyn Underhill, een Engelse mystica uit de 30er jaren zegt:

“De ontmoeting die beslissend bleek, het pad dat zich onverwacht opende, het andere pad dat werd afgesloten, iets wat we gewoonweg moesten zeggen, de brief die we gewoonweg moesten schrijven. Het is alsof een verborgen kracht -persoonlijk, levend, vrij – de gebeurtenissen stuurde, vaak tegen onze eigen plannen en verlangens in”.

Als dat zo is, dan betekent het dat er onder de oppervlakte van ons bestaan, waar we in het algemeen genoegen mee nemen, zich onverwachte diepten bevinden en grote spirituele krachten werkzaam zijn. Ja, ik begrijp het dat er dan wenkbrauwen gefronst worden. Maar ik geloof dat we alleen ten volle leven als we ons niet alleen afstemmen op dat wat zichtbaar en veranderlijk is, maar ook op het onveranderlijke en onzichtbare: die we God noemen. En het kernwoord dat daarbij hoort is voor mijzelf aan het veranderen van willen en doen naar ZIJN.

Bevrijd uit Egypte staan de mensen met de zee voor zich en de oprukkende legers van de farao achter zich. En Mozes roept dat de Heer hen vandaag nog zal redden.

Ik geloof daarin. Ik geloof dat dat kan. Ik geloof dat het mogelijk is om een ruimte ergens in jezelf te vinden en dit onveranderlijke, om God, te laten oprijzen dat bezorgdheid, verwarring, onzekerheid en wanhoop afnemen, ook al is het leven niet zonder lijden. Verschillende mystici schrijven daarover. Over een ruimte, ergens in je, dat je nooit meer verlaten zal. Etty Hillesum schrijft daar ook over, in een situatie waarin de legers ook oprukten en de diepte van de zee voor haar lag. “Ik rust in mijzelve. En dat mijzelve, dat allerdiepste en allerbelangrijkste in mij waarin ik rust, dat noem ik God”. En hieraan ontleende zij haar innerlijke vrijheid. Dat was haar Exodus, haar uittocht uit de realiteit van nazi’s met hun terreur en dood. Het leven is niet zonder lijden, maar God is een God die vrijmaakt.

Begrijp met niet verkeerd: ik houd hier niet een pleidooi van “Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw”. Ik geloof niet in religieuze zoete broodjes. Ik vind het reuze ingewikkeld en ik wat weet ik nou hoe het werkt, hoe God zich verhoudt tot lijden. Ik kan mijn beeld van God niet in lijn brengen met lijden als straf, en ook een God met een uitgewerkt plan van A-Z wil er bij mij lastig in.

En toch…zou het zou kunnen zijn dat een mengeling van mooie en verdrietige dingen uiteindelijk een hoger doel dient? Dat wij de diepere zin van de geschiedenis niet zien, NOG niet zien, maar dat die er wel is? En dat wij ZIJN vanuit een onverwoestbare kracht die ons draagt. Alsof ze zee niet meer is en de legers verdwenen zijn? Dat die bevrijdende God zo werkt?

—–

En toen was daar psalm 2. Of eigenlijk was daar de prachtige vertaling van Richard Parker uit 1567 die door Thomas Tallis op muziek werd gezet.

Why fum’th in fight
the Gentiles spite, in fury raging stout?
Why tak’th in hand
the people fond, vain things to bring about?
The Kings arise, the Lords devise, in counsels met thereto,
against the Lord with false accord,
against His Christ they go.

We luisteren naar een eigentijdse interpretatie van deze muziek:

(Christopher Monks, Thomas Tallis, The naked byrd)

Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!

Soms kan ik de krant niet meer lezen of zet ik radio 1 in de auto maar uit. Want wat wordt er toch veel gevonden. Gezegd. Geblaat. Beweerd. Geroeptoeterd. Wat maakt de mens zich toch druk.Vaak gaat het niet over Etty Hillesum haar verborgen ruimte, maar over de kleren van de keizer. Over alles dat o -zo belangrijk is, maar vooral met de buitenkant te maken heeft.

Al onze plannen
Onze programma’s
Al onze meningen, pamfletten, onze discussies
Alles wat anders zou moeten gaan in deze wereld
Alles waar we ons druk om maken.

Als we wel bidden ‘Uw wil geschiede’ en ook belijden dan God met ons is….zouden we dan ook niet wat vaker daar gevolg aan kunnen geven?
Moslims zeggen “Insa’allah” – als God het wil. Maar wat moet je ermee wanneer het levens anders loopt dat jij zelf wilt?

Hoe ik psalm 2 vandaag lees, is met de gedachte in mijn hoofd dat het niet gaat om de vraag wat het beste is voor mijn ziel. Ook niet wat het nuttigste is voor de mensheid. Nee – de vraag overstijgt deze beperkte doelen en zou moeten zijn: welke functie heeft mijn leven is het grootse en raadselachtige stelsel van God. Dat geheel is groter dan wat ook. Zo groot, dat we onszelf eindelijk kunnen vergeten en opgenomen worden in iets dat ons ver te boven gaat.

We zingen zo dadelijk:

Jou dat ús libben nea
yn waar en wyn fergiet
foltôgje Skepper Geast
wat Jo foar eagen stiet

Of in het Nederlands:

Opdat ons leven nooit
in weer en wind bezwijkt,
kom Schepper Geest, voltooi
wat Gij begonnen zijt.

Ik geloof dat niets ooit ophoudt. Wij bezwijken niet in weer en wind.

Ja, misschien in ons beperkte denken wel, en ja, wij stoppen op een gegeven moment met ademen. Deze gemeente zal ook ophouden, net als de gehele broederschap. Ons leven stopt op een gegeven moment. Maar dat is niet het eind van het liedje.

De liefde zal het winnen
en nooit verloren gaan.

Uw wil geschiede

Amen.

Niet de appel maar de angst ~ Genesis 3: 1-7

Waarom dit onbegrijpelijke stuk op deze oudjaarsavond? Kunnen we niet een beetje in de comfortabele kerstsfeer blijven?

Ja, dat mag. De kerstboom staat nog. En straks de oliebollen. Maar eerst wil ik terug naar het begin. Want geen Nieuw zonder Oud. Dit is een moment van terugblikken en vooruit kijken.

Gek eigenlijk. Want is 1 januari anders dan 31 december?

Voor de Chinezen zitten we midden in het jaar 4716.
Op de Joodse kalender  is het morgen 14 Teves 5778.
Alleen de Gregoriaanse kalender bepaalt dat we vanavond overgaan van het jaar 2017 naar 2018. Wat is tijd? Een lineair proces van vroeger-nu-straks. Maar het begint steeds weer opnieuw. En daarom wilde ik vanavond dit oerverhaal uit Genesis lezen.

Oerverhalen zijn universeel menselijke verhalen, sagen, mythen die een rol hadden in de vorming van identiteit. Verhalen waarin mensen zich konden en kunnen herkennen. Wanneer mensen die verhalen hoorden, konden ze roepen:

Zo zijn wij ook! Dat verhaal gaat ook over mij!

Genesis 3 is zo’n universeel verhaal. Een verhaal dat door alle mensen in alle culturen iedere dag gelezen kan worden. Het is geen verhaal over een bepaalde plek en over een bepaald echtpaar op een bepaalde tijd. Het gaat over het jaar dat achter ons ligt en over het jaar waar we over een paar uur mee beginnen.

———

U kent vast de uitleg van de klassieke theologie:

de slang is van de duivel, het paradijs van God.
Het kwaad komt van de duivel, het goede komt van God.
De mens is verleid door de duivel en heeft zich niet gehouden aan de geboden van God. En het gevolg? Straf. De oerzonde. Original Sin. En de kerkelijke dogmatiek heeft die zonde zelfs doorgetrokken tot in het Nieuwe Testament, waar Jezus alles wat er in het paradijs misgegaan is weer herstelt.

Dit verhaal is door de kerkelijke dogmatiek vaak uitgelegd als een dualistisch verhaal over GOED aan deze kant en KWAAD aan de andere. GOD aan de ene kant, de DUIVEL aan de andere kant.

Ik vraag me af: wat is dat voor wereldbeeld?

Een beeld waarin dat wat ons plaagt, beschouwd wordt als van buiten. Als iets dat niet bij ons hoort. Alsof onze eigenlijke status-quo er een is van paradijselijk groen en de geur van fruit.

In de psychologie is daar een theorie over: externe attributie. Dat wat er misgaat ligt dan altijd buiten jezelf. De omstandigheden waren niet optimaal. De brug stond open. Niemand had het mij verteld. De trein was te laat. De slang verleidde me. Maar was die slang ook niet een schepsel van God? Die slang was toch ook thuis in die tuin?

Mag ik met u proberen Genesis 3 op een andere manier te lezen?

———————-

Goed en Kwaad. Vaak vatten we dat moreel en normatief op. Hoe we zouden moeten zijn en hoe we niet moeten doen. Maar in Genesis mogen we goed en kwaad ook anders begrijpen: Wat goed is voor de mens en wat niet goed is voor de mens.

Goed is dat wat vreugdevol, gelukkig, tevreden, de moeite waard en hoopvol is. Kwaad is dat wat droevig maakt, onderdrukkend, pijnlijk, onverdraaglijk en uitzichtloos is.

En dan staat er middenin ons leven een boom die niet bijdraagt aan ons geluk. Een boom waarvan God zegt: doe maar niet. Blijf daar maar beter van af. Dat is niet de boom waarvan je groeit, maar waaraan je lijdt. Die boom heeft een aantrekkingskracht op mensen. Wat is het toch moeilijk soms om die boom te ontwijken. Hij staat zo middenin de tuin van ons leven – er is soms geen ontkomen aan. En wanneer je die tuin door wilt, moet je een omweg maken om die boom te ontlopen. Het is als een magneet – waar je misschien helemaal niet naar toe wilt, maar die een aantrekkingskracht heeft.

Wij doen soms dingen waarvan we best weten dat ze niet goed voor ons zijn, maar….toch trekken ze aan ons. Zoals hoogtes die op sommige mensen de uitwerking hebben dat ze denken te willen springen. Terwijl ze dat helemaal niet willen. Die verleiding, die sluwheid, dat kwaad hoort dus bij ons leven. Misschien dat juist daarom God wel zegt: pas op voor die dingen die mooi lijken, maar je niets brengen.

———–

De slang vraagt eigenlijk:

Wat is dat voor God, die God van jullie? Wat is dat voor God, die jullie gevangene maakt van een opgelegde beperking? Die jullie in een paradijs neerzet, maar die jullie kwelt als een Tantalus. Die vreselijke dorst heeft, maar net niet bij het water kan? Die het fruit ziet hangen, maar steeds wanneer hij grijpt, het voor zijn ogen verdwijnt? Is dat die God van jullie, man en vrouw? Welke God is het die de mens bewust neerzet in een gevangenschap, in een verbodstuin?

Door zo naar God te kijken, wordt Hij een boeman die ons beperkt, ons test, ons straft en die boosaardig lijkt. En dat is wat er gebeurt: de vrouw wordt bang. De angst gaat regeren. God is niet langer een beschermer en behoeder van het leven; hij kan ieder moment de hoek omkomen om te controleren hoe het staat met die ene boom. De hele relatie is nu gebaseerd op angst. Die boom als magneet, de mens bang voor eigen ego en begeerte. Ieder moment kan het misgaan. Die boom in het midden, die steeds de aandacht wil. Je kunt alleen nog met een omweg door die tuin heen.

Het ongeluk van de mens is niet, dat hij niet krijgt wat hij wil. Het ongeluk is juist dat hij precies krijgt wat hij wil hebben. Alsof er nog maar een weg naar geluk bestaat: via die boom. Die boom is het toonbeeld geworden van

gemaakt geluk
gekocht succes
begeerte
van dromen over de upper-class
van carriereplanning en
van buitenkant en mooie sier.

De slang zit in onszelf. Het is de donkerte die wij als mensen ook herbergen. Die keuzes maakt voor dat wat je niet verder of gelukkiger of voller maakt. Het is de kracht die ons doet lonken naar die boom in het midden van de tuin.

En die route is niet hoopvol, niet de moeite waard. Het is de route die ons afleidt van alles wat God met ons wil en ons gunt. De God die in die tuin wandelt, is toch de hand die ons als een warme deken beschutting biedt? Hij die ons een schoonheid schenkt waarin wij uit het stof van de aarde tot sterren opgroeien? Hij dit ons gewild heeft, niet om in kwelling te leven, maar om te bloeien als de bloemen in die tuin?

Maar als de twijfel over de goedheid van die God sterker wordt, dan zakt de grond onder onze voeten weg en overheerst de angst. Eenzaam. Alleen, Dan wordt gelovend in de macht van zelf groter dan het geloof in saamhorigheid met de Eeuwige. En dat is het moment van succes voor de slang. Het is de slang die in het verhaal ons doet twijfelen aan die goedheid van God. En daarin ligt volgens mij de afgrond. Niet dat we iets doen wat we beter niet hadden kunnen doen, maar het blijvend bang zijn voor straf en zonde.

Die slang die zijn bestaansrecht verdient wanneer hij zich tussen ons en  die Ene wil wurmen. Die ons een andere kant wil laten opkijken. En dat lukt soms. Natuurlijk lukt dat soms. Wij zijn toch immers maar mensen?

—–

Het leven is niet ooit mooier geweest dan nu. Het was niet ooit paradijselijker dan vandaag. Het is niet een werkelijkheid die veranderd is. De mens is altijd op de vlucht geweest voor zichzelf, voor de slang in zichzelf.

De mens is niet gemaakt voor angst.
De mens is niet geboren voor het donker.
De mens is niet geboren voor schaamte en bedekken van kwetsbaarheid.

De mens is niet bestemd om zich te verbergen in het donker van de nacht, maar om te leven in het licht van de dag. Ook als dat licht kanten zichtbaar maakt waar we ons voor generen, wanneer de rafgelige kantjes van onze karakters aan de oppervlakte komen en wanneer we toch minder happy waren dan we altijd deden blijken.

En nu staat er weer een nieuw jaar voor de deur. Een jaar waarin we mogen proberen te bloeien
waarin we niet angstvallig die boom en die slang hoeven te vermijden,
maar ze mogen leren te accepteren in ons leven.

We hoeven niet voor onze angst weg te rennen.
We hoeven niet weg te lopen voor onze minder mooie kanten
We hoeven ons niet achter vijgenbladeren te verstoppen, ook niet wanneer we ons eens schamen voor de gouden bergen die we in de verte dachten te zien en het allemaal anders uitpakte…

Als we dat wel doen, maken we de afstand tussen God en ons groot. Te groot. Dan krijgt die slang zijn zin. Dan blijven we op de vlucht voor die straffende God en hebben we weinig begrepen van wat er in Genesis voor ons bewaard is gebleven: het verhaal over een schepper die ons wijst op de gevaren in ons leven, als liefhebbende waarschuwing. Pas op…voorzichtig….Ik vertrouw je, maar kijk je wel uit? Hoe laat ben je weer thuis? Zal ik je ophalen als het laat wordt?

Een God die, zoals staat beschreven in psalm 1, niet wil dat wij verwaaien in leegte, maar een boom aan stromen levend water zullen zijn:

Goed is
dat je niet doet wat slecht is
niet achter oplichters aanloopt
niet met Ploert en Schender heult
niet je schouders ophaalt
‘ploert en schender, ach
zo is de wereld’.

Goed is dat je goede woorden
overweegt en wil:
Heb je naaste lief die is als jij
de vluchteling, de arme, doe hen recht.

Prent ze in het hart van je verstand,
die woorden
zeg ze voor je uit

gezegend ben je

een boom aan stromen levend water
vruchten zul je dragen
blad dat niet vergeelt
het zal je goed gaan.

Oplichter
ongezegend zal je zijn.
Een storm steekt op
je waait de leegte in.

 

Dat we dat mee mogen nemen ons nieuwe jaar in, en trouwens ook iedere andere dag. Amen.

 

Het kind dat ik ooit was ~ Jesaja 65: 17-25 en Joh 3:22-30

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Een jongetje op de kleuterschool heeft daarover horen vertellen. Een visioen. Een droom. Een wereld waar je zo wel naartoe zou willen. Onderweg naar huis, na school,ziet hij een dode karper liggen, bij het slootje waar hij langsgaat. Hij rent naar huis en grist een hark uit de schuur. 10 minuten later is hij er weer, de hark achter zich aan slepend en de stinkende vis zo transporterend. Zijn vader vraagt wat daar de bedoeling van is.
Wat een stomme vraag.
Als deze vis niet begraven wordt, hoe kan hij dan ooit spelen met een reiger in de nieuwe aarde? Hoe kan hij nou ooit genieten van die nieuwe aarde als hij weg ligt te rotten aan de kant van de sloot?

En zo gaat het: de vis krijgt een plekje in de achtertuin.

Het is vandaag 3e advent. Een tijd van verlangend uitkijken naar Kerst. Een tijd van hoop. Is hoop niet iets grenzeloos naïefs geworden? Je hoeft er een willekeurige krant op open te slaan, en de ellende komt je tegemoet. Niet dat dat iets is van alleen onze tijd; oorlog, ziekte, wraak, bedrog, dood en ellende zijn van alle tijden. De donkere kant van de wereld is niet typisch iets van deze tijd, maar het gebrek aan dromen misschien wel? We zijn met zijn allen zo bezig met het hoofd en logica en verstandelijk snappen, dat verlangend dromen nauwelijks nog ruimte krijgt.

Zoals vorig weekend in Trouw, waar Elke Geurts schrijft over een spreuk die bij haar in de keuken hangt: Hope is the only thing stronger than fear – Hoop is het enige dat sterker is dan angst. Totdat een vriendin van haar opmerkte: Hoop schept een droomwereld. Hoe meer je hoopt, hoe gefrustreerder je wordt. Hoop is pure misleiding, meer niet.

En toen ik dat las overviel me een gevoel van kaalheid, van teleurstelling. Welk perspectief heb je op je leven zonder hoop, zonder dromen?

Herinnert u zich de tijd dat je nog onbevangen was, met een leven voor je, vol hoop en verwachting?
Hoe het leven zou worden? Wat u zou worden? Welke grootse prestaties u zou volbrengen? Dat de wereld een beetje mooier zou worden? Dat we het allemaal heel anders zouden doen dan onze ouders? Wat zijn dromen waard? Weet u nog waar u ooit van droomde?

Advent is het spel van de hoop. In deze weken voor kerst dromen we over de komst van het kind. Ik noem het een spel, want we doen een beetje “net alsof”. We brengen het verhaal van dat ene kind in herinnering – dat kind dat door zijn opmerkelijke bestaan heeft laten zien hoe een leven met God eruit kan zien. Die mens, dat kind, nemen wij als symbool voor licht in ons leven. Die mens die door zijn manier van leven liet zien hoe je handen en voeten kunt geven aan licht in de wereld en zo dromen tot werkelijkheid kunt maken.

Ik denk dat we veel meer zouden moeten dromen. Niet wegdromen, niet als luchtfietserij, niet zoals in “dream on”, maar geloven in de visioenen die we aangereikt hebben gekregen door al die mensen die ons voorgingen en over wie we in de Bijbel kunnen lezen. En als we sterk genoeg zijn om erin te geloven, worden die dromen ook werkelijkheid.

De tekst uit Jesaja is geschreven voor groepen mensen die rond 500 voor christus terugkwamen uit de ballingschap. Tegen die achtergrond schrijft de auteur. Dat is de historische werkelijkheid. Ze zijn bevrijd van hun onderdrukkers. Alles krijgt een andere kleur. Zoals mensen die de bevrijding in 1945 hebben meegemaakt kunnen vertellen: het Wilhelmus mocht weer klinken, we kregen chocolade en de vlaggen wapperden aan de huizen. Een nieuwe tijd wordt geboren, vol perspectief en nieuwe beloften.

Maar deze tekst heeft het niet alleen over mensen die feitelijk bevrijd worden, maar spreekt ook vandaag tegen ons. Het is ook een tekst over mensen in Joure, Aldehaske, Snikzwaag en Akkrum in 2017. Het is een tekst voor iedere generatie en voor iedere tijd. Want dat is wat een profeet als Jesaja doet: hij doet geen toekomstvoorspellingen zoals Medium Joke RTL voor een euro per minuut , maar hij beschrijft een alternatieve werkelijkheid. Hij weet wat er in mensenlevens gebeurt en schetst met zijn verhaal hoe mensen God kunnen vinden door de geboorte van een nieuw leven. Dat kan de geboorte zijn van een kind, een kleinkind, of de geboorte van de nieuwe natuur in het voorjaar, maar het is denk ik ook (of vooral)  de geboorte van een nieuw soort leven in jezelf:
Dat je, ondanks problemen die je in je leven meemaakt, daar niet aan ten onder gaat, maar wanneer je er later op terugkijkt het leert ervaren als stekjes voor je tweede geboorte. Of eigenlijk moet ik zeggen: dat je dankzij de valpartijen in je leven tot je eigen verassing iets voort begint te brengen waar je niet van wist dat je het in je had. Soms begint er iets in je leven, hoe oud of jong je ook bent, wat eerst nog niet bestond.

Of ben ik nu bezig Jesaja te laten buikspreken? Lees ik hier dingen die er niet staan?
Natuurlijk gaat het hier over het onverwachte lot van het volk dat uit gevangenschap terug mag keren. Maar het gaat verder dan dat: wij mogen ons geborgen weten in God. God komt ons tegemoet. Alles wat ons vroeger bang maakte, moet verdwenen zijn voor mijn ogen, zegt Hij. Er spreekt een diep vertrouwen uit de woorden van Jesaja; de mensen kunnen zich in handen geven van een macht die al het beangstigende van hen verwijdert.

En nee, mensen, ik weet niet precies hoe dat werkt.
Nee, ik zie God niet als een doekje voor het bloeden in dat leven van ons met alle ups en downs.
en nee, ik geloof niet in een God die op vastgestelde datum er een einde aan breidt met ons en dan die nieuwe hemel en aarde doet verschijnen.
En ook kan ik niet geloven in een God die ons zal behoeden voor rampen, ziektes en ander leed. Dat is er, en daarmee moeten wij leren leven. Ik vermoed dat wij God op een ander spoor mogen zoeken en vinden.

Ik lees hier de woorden van Bert ter Schegget die schrijft:

“God is een stem die van binnen en van buiten tot mij komt. Het is niet mijn eigen stem en ook niet zo duidelijk – het is meer een zachte fluistering. Het is een stem getuigend van licht, dat mij trekt. Door die beloftevolle stem word tik losgemaakt uit de beklemming van de bestaande wereld en gezet in een ruimte van vrijheid. Het is stem die heel zacht maar ook onweerstaanbaar is en die stem noem ik God. Hij boeit mij, bemoedigt mij en troost mij. Ik leef op zijn adem. “

Johannes heeft die adem ook leren kennen. Hij is de wegbereider van de mens die wij in de Bijbel hebben leren kennen als Gods zoon. Johannes doopt al die mensen die dat wat hen pijnigt met hun doop achter zich willen laten in de rivier en het weg laten stromen. Een geboorte van een nieuw leven. En die wedergeboorte is geen garantie dat er nooit meer pijn of ziekte of verlies of verdriet zal zijn. Dat zou een te makkelijk verhaaltje worden. Maar met die doop, met die overgave, met het luisteren naar die fluisterende stem in hun leven hebben al die mensen gehoor gegeven aan het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Op deze derde adventszondag mogen wij het ons permitteren om hoop te hebben op de komst van het kind dat wij zelf ooit waren. Ziet u hem zitten? Dat lytse jongkje van 7 dat u ooit was, op de vaste plek in de kerk? Dat fleurige famke van 11 aan de hand van heit en mem? Wees maar lief voor dat kind – bescherm het maar voor alles wat het nog mee moet maken. Stel je voor dat je nu naast jezelf in deze kerk zou zitten! Kijk met liefde naar uzelf en leg uw volwassen hand maar op uw kinder schouder. Dat is de hand die wij, als volwassenen, toch allemaal nodig hebben als liefdevol teken van: Het komt goed. Zit er maar niet over in. Ik ben bij je.

Wij mensen kunnen het werk van God niet doorgronden. Zijn werkelijkheid is groter dan die van ons.

Als het zo is dat die ENE al antwoord voordat wij roepen
en als het zo is dat God schept er herschept,
geldt dat dan ook niet voor ons leven hier vandaag?

En die God van die Jesaja en Johannes en Jezus op pad stuurde, wil ook onze God zijn.
Dat is geen naïeve hoop, maar hoop die sterker is dan alle angst:

Die wereld die we het Koninkrijk van God noemen: die moet en die zal er komen. Daar geloof ik in, tegen de klippen op.

Durf! ~ Jesaja 48: 17-21 en Mat 25:14-30

Bernard zijn relatie is voorbij. Voor de derde keer. Hij wil zo graag, maar het lukt hem maar niet. Hij verlangt zo naar warmte, naar een veilig nest, naar een maatje, naar een sparringpartner – maar steeds gaat er iets mis. Bernard geeft veel. Teveel, misschien wel. Hij geeft zichzelf helemaal, er blijft bijna niets van hemzelf over. Zodra Bernard in een relatie is, zie je Bernard bijna niet meer. Hij zorgt, hij schikt, hij plooit. Hij maakt het iedereen die hem ziet staan helemaal naar de zin. Hij is flexibel, hij wil alles wel voor haar doen. Bernard is gevangen in het idee dat dat van hem gevraagd wordt. Hij is slaaf van de overtuiging dat ze hem alleen dan de moeite waard vindt.

Arnold is op zijn hoede. Te vaak is hij vroeger teleurgesteld geraakt in mensen, ook vrienden die dicht bij hem stonden. Hij past wel op en laat het achterste van zijn tong niet meer zien. Want als je niet oppast, dan wordt daar misbruik van gemaakt. “Wees vertrouwd, maar vertrouw niemand” – is is zijn credo. Arnold zou veel kunnen geven; zijn denkbeelden zijn origineel en uitdagend, maar ze komen niet naar buiten. Zijn filosofische gedachten zouden anderen kunnen inspireren, maar hij houdt ze voor zich. Hij is eenzaam in zijn geslotenheid. Hij is een gevangene van zijn eigen angst. Hij is een slaaf van de ingbeelde verwachtingen van anderen.

En Marjan…die werkt in het bedrijf waar ze al bijna 10 jaar haar ziel en zaligheid aan gegeven heeft. Een goed salaris, een leuke auto, zekerheid. Maar ze vraagt zich bijna dagelijks af wat ze er nog doet. Ooit koos ze voor dit bedrijf vanwege de maatschappelijke relevantie, maar inmiddels is die ver te zoeken: het gaat alleen nog maar om geld, winst en aanzien. Ze zou willen dat ze een stap durfde te zetten, een keuze kon maken met haar hart. Maar ze durft niet. Want het onbekende dat haar wacht is nog angstaanjagender dan doorgaan in deze situatie. Ze is gevangen door de comfortabele positie waar ze zich in bevindt. Ze leeft onder het juk van haar mooie salaris.

Wat doet gevangenschap met een mens? Ik bedoel niet de gevangenschap achter tralies, of in onderdrukking van een fout regime, maar gevangenschap van…..jezelf? Van hoe je tegen de wereld en tegen anderen aan kunt kijken. Hebben we dat niet allemaal wel eens?

“Had u maar naar mij geluisterd,
dan was uw vrede als een rivier geweest,
en uw welzijn als golven van de zee” – zo spreekt God volgens Jesaja.

Hoe dan? Zou een zeer voor de hand liggende vraag kunnen zijn.

Hoe luister ik dan naar die God?
Waar hoor ik die God?
Ik hoor helemaal niets!
Tenminste….niet door de luidsprekers van deze kerk
Niet met onze oren

Iemand ging naar het buitenland, maar eerst riep hij zijn slaven bij elkaar.
Hij vertrouwt ze iets toe. Er is geen achterdocht, geen argwaan, alleen maar ruimhartigheid.
Degene die voor een tijdje weg moet, geeft talenten. Eerst waren dat gewichten, daarna een munteenheid. Het gaat om grote bedragen – meerdere jaarsalarissen. Wat die talenten eigenlijk zijn, blijft open. Wat het precies is, daar gaat het eigenlijk niet om. Het gaat wel om het feit dat het gegeven wordt.

Is dat altijd fijn, om iets te krijgen?
Het kan ook teveel zijn. Verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld. Je moet wel aankunnen wat je gegeven wordt. Zorg over je ouder wordende moeder, terwijl je kinderen ook al zoveel vragen . Of het personeelsbeleid voor 200 medewerkers, terwijl je huwelijk in zwaar weer verkeerd.
Deze mensen krijgen wat ze zelf aankunnen. Ze worden niet overvraagd, en krijgen ook geen ingewikkelde opdracht. De eerste 5, de tweede 2 en de derde 1. Niemand vertelt ze wat ze met die talenten aan moeten. Geen gebruiksaanwijzing, geen vergadering vooraf, geen brief. Het wordt ze toevertrouwd, en de man vertrekt naar het buitenland. Daar zit iets van onbevangenheid in.
En het is misschien wel die onbevangenheid die de eerste twee aanspoort.
Zij voelen, zij ervaren, zij interpreteren de vrijheid om aan de slag te gaan met hun leven. Alsof ze gehoord hebben:
Doe maar, je kunt het wel
Ga maar, ik vertrouw je
Neem maar eens stap, als je maar probeert

De eerste twee vermenigvuldigen hun talent. Ze vermeerderen wat hun gegeven is.
Maar de derde – die stopt het onder de grond. In het donker. Weg ermee. De cultuurfilosoof Frank de Graaff zegt over deze derde:
Deze mens ontvangt de traditie en bewaart de overlevering, maar leeft er niet uit. Of om het anders te zeggen : eigenlijk begraaft deze mens zichzelf. Of hij is bang of hij is lui of hij is onverschillig, maar door niets te willen verliezen, verliest hij juist alles.

 

Deze tekst gaat niet over bezit. Het gaat ook niet over winstmaximalisatie. Het gaat ook niet over een strenge Heer die je ongenadig straft als je iets niet  goed kunt.  Het gaat hier over angst. De angst ligt als een schaduw over de ontrouwe dienaar en hij durft geen vin te verroeren. Hij denk dat dat hem veiligheid biedt, maar het leidt tot helemaal niets. Ik hoorde iemand zeggen: Je kunt piano spelen met de bedoeling geen fouten te maken, maar is dat muziek?
Een paar weken geleden leek het hier in deze kerk te gaan over dress-code. Is het thema van vandaag dan gedrags-code? Dat je niet mag onderpresteren? Dat je je volledig in moet zetten omdat het anders verkeerd met je afloopt en er een gejammer en tandengeknars te horen zal zijn?

Ik denk dat we Mattheüs anders mogen lezen: wij mogen vrij zijn. Ieder van ons mag onbevangen in het leven staan.
En zou dat de sleutel tot het leven van de andere twee dienaren zijn, dat zij begrepen hebben dat de werkelijk kern van Gods aanwezigheid in ons leven vrolijkheid is? Dat wij allemaal mogen leven in het wat ouderwets aandoende woord genade? Dat wij dit leven mogen leiden en in zijn Geest mogen werken? Dat is heel wat anders dan het wettisch volgen van regels en het beoordelen van hen die wel deugen en hen waarmee het verkeerd afloopt.

Misschien is dat wel wat we mogen begrijpen wanneer we in Jesaja lezen:
De Heer heeft zijn dienstknecht Jacob verlost
Verlost en vrijkomen van ketenen die ons allemaal, op enig moment in ons leven, vastzetten. De ketenen die geld veroorzaken kunnen.
Het ideaalbeeld van een partner die maar nooit verschijnt
De angst om beschadigd te worden door anderen wanneer je helemaal jezelf bent
De Heer die een tijdje vertrok, is onze Heer die altijd met ons verbonden blijft. Hij is het die bij ons was in de woestijn, in de put, bij die ruzie, die naast ons zat toen wij onze liefde verloren, die ons droeg, die ons draagt en die ons dragen zal.

 

Leef! Durf! En wees niet bang.
Zo voert hij ons door dorre streken
zo lijden wij geen dorst
Zo klooft hij in de rots en gutst het water er voor ons uit.
Dat wij zo naar de stem van onze God mogen luisteren.

Amen.

Aardse tonen met een hemelse afdronk ~ Joh 2:1-12

 

Wat is ervoor nodig om een feest een feest te laten zijn? Om het te laten slagen?

Ik hoorde een verhaaltje van een groep 6 van de openbare basisschool. De groep krijgt bezoek van een pastoor. Hij vertelt de kinderen over de kerk, wat dat is en wat daar gebeurt. “Het is net als een feestje, iedere zondag weer”, vertelt hij. “Een feest met Jezus. En jullie zijn allemaal uitgenodigd om ook op dat feest te komen als je wilt”.

Een van de kinderen van die klas vraagt zaterdagavond aan zijn ouders of ze de volgende ochtend een keer naar die kerk mogen. Hij ziet dat wel zitten, een feestje met Jezus. Zijn vader verslikt zich bijna, maar vooruit: ze gaan. Twee uren later komt  het jongetje behoorlijk teleurgesteld weer thuis. “Het was helemaal geen feest. Jezus was er niet, en er was geen taart, geen slingers en niemand was blij. Ik ga daar nooit weer naartoe”.  Een feest dat geen feest werd. Een deceptie.

Een beetje feest voldoet toch aan de minimale eisen van vrolijkheid, lekker eten & drinken, leuke muziek, een gezellige locatie.

Wat is er eigenlijk zo feestelijk aan het verhaal dat we net lazen? We horen niets over die randvoorwaarden (muziek enzo). Toch valt het feest niet in het water.

Het verhaal van de bruiloft is kort, het zijn maar 12 verzen. Maar wat staat er ontzettend veel in! Het evangelie van Johannes staat bol van verwijzingen en dubbele betekenissen. Johannes spreekt niet van wonderen, maar van tekenen. Ze be-tekenen iets. Het is geen verhaaltje over toen-en-toen en wat jezus zei en waar hij daarna naar toe ging – Het is een verhaal over waar het Jezus om begonnen was.

In deze versen wordt uit de doeken gedaan wie die Jezus nou eigenlijk is, wat hij betekent.
Tekenen in plaats van wonderen. Ik vind dat mooi. Het het haalt het wonder wat naar beneden. Een wonder heeft vaak iets bovennatuurlijks, buiten ons bereik, niet te bevatten. Als we iets niet uit kunnen leggen, roepen we: HET IS EEN WONDER!

Een blinde die weer kan zien
Een lamme die weer kan lopen
Een meisje dat uit de dood ontwaakt

En dan hier: water dat in wijn verandert. Ik heb wel eens horen zeggen: het meest zinloze wonder dat  je kunt bedenken. Er is hier niemand in nood, er is niemand ziek, er speelt geen groot onrecht. Er zijn geen blinden, lammen of melaatsen te bekennen. Er is gewoon een feest gaande. En daar lezen we dan over het eerste teken van Jezus.
Hier zien we de controuren van de man met wie we van doen hebben. Een teken waardoor zijn leerlingen en de anderen anders leren kijken naar hun leven. En waardoor ze (of wij??) gaan begrijpen wat het betekent om er maar niet wat op los te leven, maar oog te hebben voor een leven met die onbegrijpelijke God.

Johannes noemt het dus tekenen – aanwijzingen waaruit blijkt wie deze mens echt geweest is. Niet vanuit een onmetelijk hoge hemel, maar gewoon hier, op een bruiloft.  Daar, onder vrienden en familie, zien we wie die Jezus nou eigenlijk aan het worden is. Johannes wil ons met dit verhaal iets vertellen. Hij heeft horen praten over Jezus, de Messias. De gebeurtenissen die met deze mens in verband worden gebracht wil hij vastleggen.
Er staat heel veel in, en er mist ook van alles. Laten we ons daar niet al te druk over maken, zoals waar dat plaatsje Kana nou gelegen moet hebben of waarom er niet meer wijn ingekocht was. Daar gaat het in wezen niet om. Daarnaast zijn er nogal wat theologische cryptogrammen op te lossen, zoals:

 

  • De derde dag waarop de bruiloft plaatsvindt (scheppingsverhaal?)
  • Wie zijn de bruid en de bruidegom? (Jezus en de kerk?)
  • Waarvoor staan die kruiken water?
  • Jezus die zijn moeder vrouw noemt, en nogal afstandelijk lijkt te reageren

Maar naast al die verwijzingen, waar we het een andere keer vast nog over kunnen hebben, wil ik vandaag graag stilstaan bij de gewoonheid van deze setting. Jezus en zijn leerlingen waren ook uitgenodigd. Alsof ze zo op een feestje hier in Joure vanavond de deur binnen kunnen vallen, een beetje te laat. Kom erin, pak een stoel! Hier is een glas. Nu kan het feest echt beginnen.

In dit korte verhaal maken we werkelijk kennis met Jezus. Het is niet alleen het begin van de tekenen, maar het toont ons ook het beginsel van de tekenen; hier zien we de essentie van Jezus: wanneer wij in ons gewone, alledaagse, misschien soms saaie of tegenvallende leven denken dat het feest voorbij is, blijkt er een afterparty te zijn. Daar waar wij soms geen licht aan het einde van de tunnel zien, blijkt er toch een nieuwe kans te bestaan. Dat is wat Jezus ons meegeeft. Dat is waarmee hij God dichtbij brengt. Dat is de innerlijke transformatie die ieder mens nodig heeft om bij de dag te kunnen blijven en niet door alle wereldlijke ellende de handdoek in de ring te gooien, de stekker eruit te trekken, het feestje af te blazen. Jezus laat hier, in dit eerste verhaal van Johannes, eigenlijk al zien hoe het er in de rest van zijn leven aan toe zal gaan. Het is een verkorte versie van alles wat er nog komen gaat: als je het niet meer ziet zitten, is er toch nog leven. Er zit altijd meer in het vat.

De kerk heeft daar een woord voor uitgevonden: genade. Niet op de manier waarop je om genade moet smeken wanneer iemand je arm op je rug draait. Juist niet. Genade mag je ook verstaan als:
je hoeft niet bij de pakken neer te zitten. Ook al lijkt het vat leeg en ook al heb je tegenslagen te verwerken, ook al lijkt het in de verste verte niet meer feestelijk te worden: God is er bij.
Die onzichtbare God die je misschien wel verwijdt dat hij zich nooit laat zien,
waar je boos op bent omdat je kind maar niet beter wil worden,
wiens bestaan je betwijfelt omdat het leven soms zo oneerlijk is.

Die je toeschreeuwt: Waarom hebt u het volk van de HEER naar deze woestijn gebracht? Waarom hebt u ons weggehaald uit Egypte en ons naar dit afschuwelijke oord gebracht? Er is hier geen koren, er zijn hier geen vijgenbomen, geen wijnstokken en geen granaatappelbomen.

Die God die doet wat Hij ooit beloofde: Ik ben die er zijn zal.
Hij werkt door mensen – Mozes, Aaron, Jezus. Het zijn niet de indrukwekkende kunststukjes die ons omver moeten blazen (water uit een rots, water veranderen in wijn), maar het is de belofte dat wanneer je gaat met die God, je kunt leren veranderen. Het is een proces, een transformatie, waardoor je anders tegen dingen aan leert kijken. De wijn op het feest in Kana feest mag dan op zijn, maar is die wijn werkelijk zo voorwaardelijk voor het welslagen van het feest? Of gaat het eigenlijk om het zien, het proeven, het herkennen van een andere manier van voldoening die het leven tot feest kunnen maken?

Johannes vertelt ons hoe dat dat leven van Jezus mensen veranderd heeft. Daar heeft hij over gehoord en hij vertelt het door. Het is het verhaal van een mens die leek te begrijpen hoe zo’n veranderingsproces handen en voeten kan krijgen – het is niet te ver, niet te hoog.
Een mens om op te bouwen. Die dat wat verloren lijkt, weer doel en zin gaf. Die dat wat uit elkaar gescheurd is, weer bij elkaar brengt. Die keer op keer dat wat het laatste komt, vooraan zet.
Zelfs water kreeg glans, kreeg smaak en bleek een bron van leven te zijn:

Let all who are thirsty come
let all who wish receive the water of life freely

zingen we straks.
Laar iedereen die dorst heeft komen
laat iedereen die dat wil het water van het leven krijgen, in overvloed

Jezus laat ons als genodigde op deze bruiloft vanaf nu zien hoe een leven met God gestalte kan krijgen. Jezus leert ons dat gaan met God betekent dat wanneer het lijkt alsof de koek op is, je toch nieuwe wegen ziet. Een leven waarin ziekte, verlies en teleurstelling nog steeds pijn zullen doen, maar waarin je kunt leren dat er een diepere laag van dankbaarheid, schoonheid en levenskunst bestaat dan de onmiddelijke bevrediging van behoeften of het miraculeuze verdwijnen van narigheid. Ik noem dat geen geloof, maar vertrouwen. Een leven in vertrouwen dat God er is en dat dat ons platte, gewone, aardse en soms moeilijke leven ontstijgt. Een leven waarin je weet: wij zijn niet alleen.

In dit verhaal zien we dat onze menselijke neiging om teleurstellingen ons te laten overspoelen niet nodig zijn: Echt! Er is een uitweg. Werkelijk: God laat je niet zitten. Doe maar mee: water wordt levend water en wie er dorstig van wordt, mag erin delen.

Laat het stromen – er is genoeg voor iedereen.

Zo’n leven smaakt goed. Net als die wijn. De Deense theoloog Kai Munk stelt zich voor, dat het bruidspaar jaren later nog steeds flessen over heeft, bewaard om zo nu en dan een van te ontkurken. Een fles om terug te denken aan die ene dag waarop trouw en verbondenheid centraal stonden. En plezier. En feest!

Zo’n leven smaakt goed.

Vol, met soms met een bitter accentje.
Fris, maar met een gerijpt karakter.

Aardse tonen met een hemelse afdronk.

 

(lees de tekst hier)

 

Heilige grond ~ Exodus 3: 1-16


Wat wil je later worden als je groot bent?

Wie heeft die vraag nooit gesteld gekregen?
En wat zeg je dan? Brandweerman? Dokter? Juf? Buschauffeur?

De vraag lijkt betrekking te hebben op een beroep, een functie. Wat wil je worden? Outbound Sales Manager? Business Strateeg? Chief Financial Officer?

 

Maar heeft de vraag ‘wat wil je worden’ ook niet te maken met wie je bent, of wie je wilt zijn? Verpleegkundigen zijn vaak zorgzaam, een onderwijzeres brengt graag anderen tot bloei.  Wat je wilt worden zegt dus iets over wie je bent.

Lees verder

© 2019 Jelle Waringa

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑