Ik herinner me Don en Andrew. Twee jongetjes uit Belfast, die via de kerk in de zomer van 1983 bij ons thuis kwamen logeren en tijdelijk verlost waren van het geweld daar in Noord-Ierland. Ik herinner met het IKV en de demonstraties tegen de plaatsing van kernwapens in Nederland en de buttons (‘Wij willen alleen zure bommen’) die we met een groepje maakten voor ongeïnteresseerde passanten. Ik herinner me de contacten die we als kerk in Leeuwarden hadden met een bevriende gemeente in de DDR en de stencils die ik hielp maken in oktober 1989 die opriepen tot deelname aan de Friedens-gebete.

Soms mis ik de kerk van de jaren van mijn jeugd. Ik mis de actiebereidheid en de theologie (oké, thuis misschien meer dan in die kerk) waarin woord en daad verdomd veel met elkaar te maken hadden. Ik mis de overtuiging van de noodzaak om te moeten handelen en dat dan ook te doen.

Waar is het geluid van de kerk nu, vandaag? Is het bijna verstomd, of luister ik gewoon niet goed genoeg? Een gezin uit Armenië moet zich in ons land schuilhouden in een godshuis om zich zo een overheid van het lijf te houden die hen juist zou moeten beschermen. Sinds 26 oktober is er een doorlopende kerkdienst gaande. Op 19 november nam ik twee uren van die dienst in de Bethelkapel voor mijn rekening om op die manier een kleine steen te vormen in de muur die hen beschermen kan.

We zongen lied 837: Iedereen zoekt U, jong of oud. De regel ‘Eens vindt U ons, bij dag of nacht, dorstend naar liefde en zegen’ kreeg voor mij een wending die ik niet had zien aankomen. Want zoals zo vaak wanneer God in het spel is, gaan de dingen anders dan gedacht. Ik dacht dat ik iets kwam brengen, en deed dat misschien ook wel, maar de rollen werden ook omgedraaid. Ik kreeg iets te zien van de kerk in optima forma: een zoete inval voor mensen van diverse snit die hier gewoon moesten zijn. Na mijn twee uren van woord en gebed werden we uitgenodigd om aan te schuiven bij de maaltijd. Ik zat naast een buurman die een zak aardappelen bracht en mij onmiddellijk meedeelde absoluut niets te geloven. Prima, al geloofde ik hem eigenlijk niet. Er kwamen mensen binnen voor het Taizégebed. Er aten mensen mee die bevriend waren met het gezin Tamrazyan. De volgende voorganger meldde zich en kreeg eerst eten. De vrijwilligers die de boel daar in Den Haag gaande houden belden en regelden en deden deuren open. En eventjes voelde ik íets terug van die kerk die ik ken uit het begin van de jaren 1980; ik voelde de energie van een stille revolutie en het besef dat een deeltje van te mogen zijn.

Ik zou vaak zo graag radicaler durven zijn in mijn acties. Ik zou zo graag niet netjes willen zijn, maar keihard willen schreeuwen hoe verschrikkelijk ik het vind dat die wereld die we het Koninkrijk van God noemen zo ongelofelijk ver weg lijkt. Maar door de aardappelen van de buurman en de vlaflip daar op tafel kwamen de woorden van lied 837 in hun volle omvang bij me binnen: ‘Koning, uw rijk is zo nabij, open mijn ogen en oren!’. Ik voelde me een moment gevonden. Waarom had ik het niet gezien? Die God en dat koninkrijk…die waren er immers al die tijd al.